“Trek door de magische rijstvelden en ontmoet traditionele bergstammen. Sapa is de parel van Noord-Vietnam.”

Mijn favoriete stukje Vietnam ligt in de Hoang Lien bergen ver boven Hanoi: Sapa. Hier balanceer je over de randen van rijstterrassen, leer je culturen kennen van traditionele bergvolkeren, loop je onder pergola’s vol pompoenen door, staar je verwonderd naar de Fansipan en slaap je bij locals thuis.

Klinkt bijzonder toch? Dat is precies wat Sapa in Vietnam is. Als je dit bergdorpje tenminste op de juiste manier beleeft: met een privétour. Zo ontloop je de toeristenmassa, trek je diep de rijstvelden in en eet je mee met families in traditionele bergdorpjes onderweg. Ik deed zelf samen met mijn zusje Wendy de tour van Friends Travel Vietnam, grote aanrader.

Ontdek de magie van Sapa zelf

Wil jij weten wat deze Sapa trekking zo bijzonder maakt? Lees mijn reisverslag vol tips en ervaringen hieronder en ontdek zelf wat jou over de streep haalt: haar verleidelijke uitzichten, interessante culturen, lokale gerechten of de vriendelijke Black Hmong-gids.

Naar de markt in Sapa

Vanuit de verte zie ik een Vietnamees meisje van ongeveer 1.50 meter zoekend om haar heen kijken. Ze lijkt een stuk jonger dan ik. Een paar lokken ontsnappen uit haar lange, zwarte, steile haar dat ze in een vlecht heeft gebonden. Ze draagt een zwart gewaad dat iets weg heeft van een kimono, met op de mouwen een patroon. Als ze Wendy en mij ziet, komt ze glimlachend op ons af: ‘Herrow, I An. You get tour flom me.’

An heet vast geen An in haar dorp, maar voor ons is het wel zo gemakkelijk. Ze komt uit een Black Hmong-stam, een Aziatische minderheid die onder andere hier in de bergen van Sapa leeft. An is achttien en heeft al een kindje van een paar maanden oud, wat op haar leeftijd meer dan normaal schijnt te zijn.

Vol enthousiasme neemt ze ons mee naar de markt in Sapa, waar we lunch halen. Kip, tomaten, uiten en wortels, ze stopt het allemaal in het plastic zakje in haar hand. Ik maak me lichtelijk zorgen om de kip, die ze vier uur lang in de brandende zon gaat dragen.

De zorgen verdwijnen snel als An ons een rondleiding geeft door de stoffenmarkt: ‘Verschillende tribe-kleren zijn hier te koop. Elke stam heeft haar eigen kleuren en patronen. Zie je die zwarte stoffen met rood, groene en witte printjes erop? Dat zijn de kleuren van mijn stam.’ Trots wijst ze naar haar mouw.

Het toeristische Cat Cat Village

In Cat Cat Village is het druk. Dit oude dorpje gelegen in Gem Valley op zo’n drie kilometer van Sapa is een ware toeristentrekker. Winkeltjes vol sieraden, traditioneel handwerk en andere souvenirs staren me aan. Bij sommige huisjes kan je lokale gerechten kopen of zelfs leren weven.

Om de haverklap komen er verkoopsters naar ons toe met de vraag of we iets van ze willen kopen. ‘Where are you from’, ‘are you merried’ en ‘do you want tour’ zijn ook populair. Ik leer al snel dat je het beste vriendelijk kan reageren met een duidelijke nee.

Ondertussen vertelt An dat Cat Cat Village in de negentiende eeuw is gesticht en vooral werd bewoond door haar volk, de Black Hmong. Ze neemt me mee naar de traditionele houten huizen van de Hmong-stam, die allemaal drie kamers en drie deuren hebben. Binnen staan allerlei oude landbouwwerktuigen. Ze wijst naar de ploeg. ‘Deze wordt soms achter een buffel gehangen om het land te ploegen. Dat gaat veel sneller.’ Ze giechelt.

Trekking door Muong Huo Valley

An slaat een zandpad in dat ons de rijstvelden inleidt. ‘Nu gaat het pas echt beginnen,’ zegt ze enthousiast terwijl ze een oud, houten hekje openduwt. Daar staan we dan, in de rijstvelden van Sapa in het noorden van Vietnam. Vijftien kilometer lopen is wat er op de planning staat, maar na tien minuten ben ik al verliefd.

De Muong Huo vallei is werkelijk schitterend. De rijstterrassen lijken trappen die leiden naar de bergen op de achtergrond. Een laagje water versiert de terrassen, waarin de blauwe lucht en voorbij trekkende wolken weerspiegelen. De groene omgeving maakt het plaatje compleet.

‘Stealing Wife’ en andere Black Hmong gewoonten

Onderweg komen we stamgenoten van An tegen. De vrouwen dragen rieten manden op hun rug waarin ze voedsel vervoeren. ‘We lopen vaak meer dan twintig kilometer per dag,’ zegt An alsof het de normaalste zaak van de wereld is.

Zo nu en dan crossen er op de smalle zandpaadjes behendig mannen op brommers voorbij met boomstammen achterop. Als ik zeg dat zo’n brommer me dat veel gemakkelijker lijkt, vertelt An dat vrouwen het eten verzamelen en mannen de huizen bouwen. Vrouwen lopen zich dus elke dag een ongeluk om te jagen en verzamelen, terwijl mannen relaxt op hun brommertje hout vervoeren en af en toe een plankje tegen een muur timmeren. Interessant.

An neemt me mee naar het dorp van het Black Hmong-volk. Als we de school passeren, draait ze zich giechelend om: ‘Wist je dat de mannen hun vrouw moeten stelen?’ Ze kijkt me geheimzinnig aan. ‘Als een man verliefd is op een vrouw moet hij haar in een donkere nacht stelen en een paar dagen zonder eten versieren. Als de vrouw accepteert om met hem te trouwen, gaat de man naar haar familie om toestemming te vragen.’

Lunch bij de Zai

Bij de bergstam van de Zai stoppen we voor lunch. Meteen valt op dat de Zai rijker zijn dan de Black Hmong. De huizen zijn groter en luxer, traditionele kledij wordt vaak vervangen door gewone kleren en de vrouwen leven hier niet van de verkoop aan toeristen.

Er zijn een aantal interessante dingen gaande. Buiten is de man des huizes met een tang de tand van een vrouw uit de buurt eruit aan het wurmen. Hij is tandarts en doet een vriendendienst op deze zondag. De kinderen nemen af en toe een kijkje.

Binnen staan wel zes tafels gedekt voor meer dan twintig mensen. An ziet me verbaasd de eetkamer in gluren. ‘Op zondag komen families en vrienden samen om te eten. Het kan erg druk worden.’ Dat is duidelijk het geval vandaag.

Vanachter een van de tafels staart een meisje van een jaar of tien me verlegen aan. Als ik naar haar gebaar, komt ze voorzichtig naar me toe. Eerst kijkt ze alleen maar stilletjes naar het scherm van mijn camera. Na een tijdje begint ze te praten en leert ze me een aantal woorden: xin chao (hallo), ca mung (bedankt) en ta bin (doei).

Alleen kip op speciale dagen

In de keuken staat de moeder van het gezin – Dung – een verscheidenheid aan gerechten te koken. Rijst, noodles, tofu en groentenprutjes komen voorbij. Omdat haar kookplaat bestaat uit een gat in de grond met wat kolen en daar bovenop een roostertje waarop ze maar twee pannen tegelijkertijd kwijt kan, duurt het een kleine twee uur voordat het eten klaar is.

Des te meer verbaast het me dat haar gasten als het eten eenmaal klaar is, letterlijk twee minuten aan tafel zitten. Uren heeft Dung in de keuken gestaan, een paar keer slurpen en iedereen is verdwenen.

Wij mogen aan tafel nadat de andere gasten klaar zijn. Ik vraag waarom we niet gewoon mee eten met de rest. An vertelt dat wij een ander gerecht krijgen. ‘We eten alleen kip op speciale dagen. Voor jullie is dit een speciale dag, dus jullie eten kip vandaag.’

Als we wat kip aan Dung geven, krijgen we als dank een kommetje met daarin een groene, sappige vrucht terug. Zoet en friszuur tegelijk, het smaakt een beetje naar een combinatie van aardbei en limoen. An komt grijnzend aanlopen met een ongeveer dertig centimeter grote, stekelige, peervormige vrucht in haar handen. ‘De mãng cầu is een lokale lekkernij en groeit hier overal aan de boom. De heb ik net geplukt.’ Trots houdt ze de vrucht ten hoogte van haar borst.

Begrafenisritueel

Eenmaal terug in de rijstvelden van Sapa, worden we ingehaald door grote groepen van de Black H’mong-stam. An wijst naar een bepaald punt in de bergen: ’Daar is een begrafenis.’ Ik vraag of An daar niet heen moet, maar ze praat verder. ‘Als iemand is overleden, laat de familie een schot klinken om het hele dorp op de hoogte te brengen. Je neemt mee wat je in huis hebt om de familie te helpen, rijst, kip of misschien wel een varken. Dan wordt de overledene naar boven gedragen in een mat en in de rijstvelden begraven. Ze dragen hem nu naar boven.’ Ze wijst opnieuw. Als ik goed kijk, zie ik inderdaad dat er iets vastgehouden wordt tussen de mensenmassa.

De Bamboo Bar in Ta Van

An heeft het al uren over twee dingen: een of andere waterval en de Bamboo Bar. De waterval valt tegen, de Bamboo Bar is fantastisch. Als we daar na een hele dag sjokken door de rijstterrassen aankomen, staat cola en friet met mayo ons op te wachten. Een kleine, verzorgde Vietnamese vrouw lach vrolijk naar ons. Ze stelt zich voor als Hien.

‘Hoej kat jet,’ vraagt Hien op haar beste Nederlands. Ik probeer verrast te reageren, maar An heeft me twee uur geleden in al haar enthousiasme allang verklapt dat de eigenaar Eddie Nederlands is. Samen met Hien runt hij de Bamboo Bar die – zoals de naam al verklapt – een gemaakt is van bamboe en midden in Ta Van ligt, een dorpje in de rijstvelden van Sapa. Van buiten ziet het barretje er schattig uit, op het kleine terras passen precies drie tafeltjes.

Binnen is het groter. De bar is wat donker en wordt omringd door ronde, houten tafeltjes, waardoor het me doet denken aan een Amsterdams bruin café. Het restaurantgedeelte heeft meer wat weg van een woonkamer. Midden in de kamer staat een openhaard, waar twee luxe, leren stoelen naast staan en een bank. Een enorme picknicktafel fungeert als eetplek.

We vergezellen Hien, haar broer en zijn vrouw, een vriendin en het personeel in de avond met het eten. Eddie is op reis. We zitten met z’n allen aan de picknicktafel die vol staat met kleine hapjes. Het twee jarige zoontje van Eddie en Hien – Tommie – zit vrolijk te brabbelen, terwijl hun honden Lucky en Bobby enthousiast staan te kwispelen. Ik voel me meteen thuis.

Geen bank en een buitendouche

Na het eten neemt Hien ons mee naar haar oude huis dat op nog geen tien meter afstand van de Bamboo Bar ligt. De woning is groot en heeft twee verdiepingen. Boven staan wel acht bedden. De woonkamer is gescheiden van de keuken, waar een Vietnamees gasfornuis staat: een gat in de grond.

Ik vraag Hien waarom ze is verhuisd. ‘Mijn man wil niet zo leven. Hij is Nederland gewend en heeft een bank nodig, een kookplaat en meer ruimte. Hij kan niet zonder die luxe.’ Dat kan ik me voorstellen, de hele dag op een klein, plastic stoeltje zitten is ook niet alles.

Ze neemt ons mee naar buiten, waar de douche en toilet zijn die met een hangslot worden beveiligd. ‘Als je de deur niet op slot doet, stelen ze je wc-papier en shampoo.’ Ik kijk verbaasd.

Een uur later hoor ik een gil en zie ik Wen met een handdoekje om rennen voor haar leven. Zo’n hangslotje mag dieven dan wel weghouden, enorme insecten kruipen nog gewoon naar binnen.

De Fansipan

Hoewel onze kuiten bij elke stap zeer doen, onze benen nog steeds als lood voelen en mijn maag overstuur is, beginnen we de dag vol goede moed. Stipt om negen uur staat An klaar om ons mee te nemen naar het hoogste punt van Sapa, waar een waanzinnig uitzicht over de rijstvelden, de vallei en de Fansipan ons schijnt op te wachten. We slaan een paadje in naast de Bamboo Bar en volgen een steile, zanderige weg omhoog.

Maar dan… Na tien minuten begint het te regenen, en niet zo maar te regenen. Met bakken valt het uit de lucht. Wij met poncho’s aan en An met haar paraplu uit, sjokken we verder. Totdat het water zo hard naar beneden stroomt en de zanderige weg zo slibberig maakt dat we alleen maar verder naar beneden glijden in plaats van omhoog komen.

An kijkt naar onze schoenen en schudt haar hoofd. Ik voel me lichtelijk schuldig dat ik alleen All Stars mee heb. ‘Boven kunnen we toch niets zien, laten we maar wat eerder gaan lunchen,’ stelt ze voor. Ik maak al aanstalten om me om te keren, maar An trekt aan mijn arm. ‘Nee te gevaarlijk, we gaan zo,’ ze wijst de rijstvelden in. En we gaan off road, dwars door de terrassen van Sapa.

Granny needs her stick

Als je nu denkt dat het makkelijker wordt, zit je er – net als ik toen – flink naast. Het moet er lachwekkend uit hebben gezien. An voorop, letterlijk balancerend over de glibberige randen van de rijsterrassen die smaller zijn dan haar eigen voet. Haar roze paraplu in haar ene hand, mij in haar andere hand, als een behendige koorddanseres. Ik erachter, strompelend, vallend en af en toe tot aan mijn knieën in het water.

‘Zit dat nou op ballet,’ hoor ik Wen lachend zeggen, die zich op een of andere manier zonder hulp prima weet te redden achter mij. Zo blijf je elkaar verbazen. Nu moet ik er wel even bij vertellen dat ik behoorlijk ziek was. Steken in mijn buik, mijn hoofd gloeiend van de koorts en geen energie door een lege maag. En dan ook nog doorweekt van de stromende regen.

Gelukkig blijft An maar lachen, zelfs als ik haar meetrek in mijn val en haar schoen volloopt met water. Glimlachend schudt ze met haar voet, terwijl ze bukt om iets te pakken. ‘Dit is voor jou,’ ze geeft me een stok. Wen ligt in een scheur: ‘granny needs her stick.’

Op de thee bij de Red Dao

Voor mijn gevoel duurt het een eeuwigheid, maar op een gegeven moment zien we dan toch een huisje opdoemen uit de dichte mist. De gastvrouw heet ons hartelijk welkom. Ze wijst de rijstvelden in en vertelt dat daar de Muong Hoa River stroomt. Dan hangt ze onze natte kleren op, geeft ons droge slippers, zet ons naast het vuur neer en maakt thee.

Er lopen heel wat kinderen rond, dus ik vraag me af hoe het gezin in elkaar zit. An is mijn tolk. De oudste dochter is twintig – hoewel ze veertien lijkt – en heeft twee zonen. Haar man zit naast haar. De andere kinderen zijn haar broertjes en zusjes.

De familie behoort tot de Red Dao-stam, herkenbaar aan hun rode hoofddeksels. Hun ritueel voor het uitkiezen van een stuk land interesseert me. In de nacht worden er rijstkorrels in de grond gepland die mensen, buffels, geld en land symboliseren. Dromen die volgen die nacht, zullen bepalen waar het huis wordt gebouwd. Als de korrels de volgende ochtend verdwenen zijn, moet er gezocht worden naar een andere plek.

The End: I LOVE SAPA

Net als we helemaal zijn opgedroogd, mogen we de regen weer trotseren om terug te gaan naar de Bamboo Bar. Inmiddels staat het water nog hoger, is de modder nog dieper en de mist nog dikker. Het is een waar avontuur, we zien oprecht niks meer. An moet wel een erg goed richtingsgevoel hebben.

Bij de Bamboo Bar staat Hien ons op te wachten met warme chocolademelk. Toch fijn dat haar man Nederlands is. Terwijl we onze mokken leeg slurpen, komt er een man op een scooter aanrijden met een baby op zijn borst: het kindje van An. Vol trots laat ze hem zien. Buiten regent het nog steeds, maar de mist trekt langzaam weg en de groene rijstvelden van Sapa worden weer zichtbaar.

En An lacht nog altijd, terwijl haar zoon in mijn armen schommelt. Misschien klinkt het cliché, maar mooier had deze trip niet kunnen eindigen.